Bitterzoet

BITTERZOET

Inleiding: Dit verhaal langer dan 20 jr geleden geschreven, voor mobile en computer...niet eerder lef om het te plaatsen. 

              'Waarom ben ik hier in vredesnaam aan begonnen'; ze vraagt het zich voor de zoveelste keer af, terwijl ze het klamme zweet van haar voorhoofd veegt. 'Wat een moordend klimaat !'

Maar het antwoord hierop weet Gwen zelf maar al te goed. Ze wil nu eenmaal iets presteren, iets DOEN met haar leven. Zelf iemand zijn en niet alleen 'de vrouw van.....'  Wat had ze vreselijk genoeg van het gezapige leventje van luxe party's, liefdadig­heids­bazaars en feestelijke openingen.

Goed, ze had haar baan als journaliste voor een toonaangevend glamourdamesblad, waarin ze zelf ook wel eens als model te vinden was, ontmoette daardoor veel interessante mensen. Maar het was allemaal in datzelfde kringetje. Néé, dan was dit wel even iets heel anders!

Natuurlijk is het mede te danken aan de positie van haar man, dat ze kans krijgt hierheen te gaan, ‘om te proberen zich van een geheel andere kant te laten zien’. Wat had ze gedramd bij Bollo, zoals ze haar man: 'de grote' Bernd von Olmen, hoofd van een gigantisch zakenconcern -vaak plagend- liefkozend noemt. Pure waanzin vond hij het, evenals  familiele­den en vrienden die ervan hoorden.

Bernd, een markante persoonlijkheid, maar meestal ’als was’ in de handen van Gwen, kon echter niet op tegen de smeekbeden van zijn vrouw :  '... Laat me een half jaar mijn gang gaan…'. En hoewel ze hem in haar hart gelijk moet geven : Dit IS eigenlijk waanzin, heeft ze koppig doorgezet. Ze heeft zich verdiept in geschiedenis en politiek van het land en het bijbehorend medisch traject van injecties tegen enge tropische ziekten doorlopen.

En zo bevindt Gwen zich nu, samen met een fotograaf, zijn zoon Mark en de piloot, die tevens als gids en tolk is ingehuurd, in een klein, krakkemikkig vliegtuigje ergens boven een kustge­deelte van Cambodja. Aanvankelijk had ze deel uitgemaakt van een groepje journalisten en fotograven, maar omdat ze iets spectacu­lairs wil, is ze met Jan Jonkers in zee gegaan. Deze bekende fotograaf, al jaren werkzaam in dit land, heeft haar verzekerd van een heel bijzondere reportage over het geheim verzet tegen de Rode Khmer en haar beweging. En hoewel zijn reputatie van roeke­loosheid haar niet onbekend was, is ze toch gezwicht voor het avontuur.                                                             

Door de vreemde capriolen die het vliegtuigje maakt, ze hoort de motor zelfs haperen af en toe, begint ze steeds meer spijt van haar expeditie te krijgen. Terwijl het al donker wordt klinken er van de motor steeds vreemdere geluiden. Ze hoort ze de piloot iets onverstaanbaars schreeuwen. ‘Zwemvesten, onder je stoel’, roept Jan Jonkers. Doods­bang probeert ze iets wat op een zwemvest lijkt om te krijgen. Het toestel begint nu hevig te schudden, sputtert en...dwarrelt -als een blad van een boom- naar beneden. Even is er een felle pijn aan de zijkant van haar hoofd en dan niets meer..­..

             Nog voor ze haar ogen opent, ontwaakt Gwen door een kakofonie van geluiden, overal gekwetter, gefluit en getjilp, alsof ze zich middenin een volière bevindt. Knipperend tegen een fel zonlicht opent ze voorzichtig haar ogen. Ze voelt zich nat en verkleumd maar de zonnewarmte is weldadig. Haar hoofd doet pijn, maar gelukkig niet erg. Langzaam herinnert ze zich het ongeluk en vergewist zichzelf ervan dat ze geen letsels heeft. Ze bevindt zich aan de waterkant op een zandstrandje, omzoomd door rotsen, bomen en dicht struikgewas. Net als ze zich met een plotselinge angst afvraagt: 'Ik zal hier toch niet alleen zijn?', ziet ze enkele meters verder iemand overeind komen en herkent Mark, de zoon van de fotograaf. ‘Hee, ben je er weer…hoe is het ?’, vraagt hij bezorgd terwijl hij wat wankelend, maar verder ongedeerd, op haar toeloopt. Hij weet te vertellen dat ze in zee gestort zijn. ‘Tenminste, het eerste waar ik me weer van bewust werd, was dat ik in de zee lag en de staart van het vliegtuig onder water zag verdwijnen’. Ze ziet de ontzet­ting in zijn ogen, terwijl hij het al vertellend weer voor zich ziet. ‘Gigantisch hoge golven.....ik had geen kracht om het na te duiken’, snikt hij. ‘Jij dreef een klein stukje verderop, ik snap nog niet hoe het lukte om je mee te slepen.... door die vreselijke branding .... het werd zo donker en..... nu zijn we opeens hier en het is weer dag, onbegrijpe­lijk’, besluit hij kinderlijk. Om zich heen kijkend en turend over de zee, ‘nee er is, zo te zien, verder geen spoor van overige overlevenden’, laat hij zich naast Gwen op het zand zakken. Ontredderd, enigszins onwezenlijk staren ze een tijdje voor zich uit, zich onwillekeurig koesterend in de troostrijke warmte van de zon.

            Na een poosje staat Mark op en gaat in de richting van het struikgewas op zoek naar drinkwater. "Doe alsjeblieft voorzichtig", roept Gwen hem nog na, maar vrij snel daarna staat hij al weer voor haar met in zijn handen een trosje bananen en een heuse kokosno­ot! 'Er is daar ook een klein stroompje zoet water', wijst hij. Nadat ze even later wat gegeten en gedronken hebben voelen ze zich al een stuk beter. Mark besluit de tamelijk hoge rots te beklimmen, die het zand­strandje, dat verder be­groeid is met bomen en struiken, aan één kant begrensd. Aan de andere kant van de rots is nog een soortgelijk stuk strand, ziet hij, rondom met rotsen maar zonder schaduw van struiken of bomen. Hij tuurt met een hand boven zijn ogen het strand en de zee af, maar ziet, helaas geen spoor van verdere overlevenden.

Verslagen en onder de indruk zit Gwen een tijd in het warme zand. Mark zit op een wat lagere uitloper van de hoge rots en staart somber voor zich uit.                                          

Ze besluit naar hem toe te klauteren: ‘Mark, ik vind het zo vreselijk van je vader, ik begrijp dat je er kapot van bent’  Hè wat m'n vader?; O, maar het is eigenlijk m'n oom, maar ik heb - had - veel meer aan hem dan aan m'n vader" Dan zwijgt hij verder en Gwen be­grijpt dat ze nu niet verder moet vragen.

          In de zee, die aan de voet van de rots dieper is dan op de plaats waar ze wakker werden, ziet Gwen steeds grote vissen zwemmen en ze probeert een manier te verzinnen er een te vangen. Ze vindt een puntige tak en loopt het water in om te proberen een vis te spietsen. Na een tijdje springt Mark overeind en komt haar te hulp.

Verbazend snel heeft hij een vis te pakken en ze is helemaal stomverbaasd als hij wat later in  vergaarde takjes een heus vuurtje weet te ontsteken. ‘Kan jij toveren of zo ?’roept ze dan ook bewonderend uit. Mark, niet ongevoelig voor die lof, vertelt nog maar kort geleden een overlevingscur­sus te hebben gevolgd. ‘Daarna heb ik dit kokertje aangeschaft met spullen die in geval van nood heel handig kunnen zijn, het hangt altijd aan m'n broekriem, nooit gedacht het al snel echt nodig te hebben’. ‘Wouw… dankzij jou begin ik weer moed te krij­gen’,  Gwen voelt zich echt opgelucht!

 Als Mark haar hierna vraagt hoe zij denkt hier ooit weer vandaan te kunnen ko­men, 'het is voor een schip vrijwel onmogelijk door deze bran­ding heen te komen'; lacht ze geruststellend: ‘Maak je daarover nog maar geen zorgen, die vis is echt heerlijk..; ik durf  te beloven dat we hier echt wel weer vandaan komen, als er tenminste geen al te grote engerds in dat bos zitten. Mijn echtgenoot kennend, zal hij geen middel onge­moeid laten, voor hij zekerheid heeft over mijn lot; en geloof me maar, die middelen van hem zijn zéér ver­strek­kend!"

Dan vertelt ze dat 'Gwen van Dijck', de naam waarmee ze zich heeft voorgesteld, haar meisjesnaam is. Bij het horen van de naam van haar man, springt Mark verschrikt overeind "O, maar dan bent u dus DE mevrouw von Olmen, sorry dat ik zo familiair ben..." "Mark, alsjeblieft doe niet zo gek, ik blijf gewoon 'Gwen' hoor, afgesproken? "O.K. Gwen" grijnst hij braaf en voor het eerst lachen ze samen.

De rest van de dag verkennen ze de naaste omgeving, die gelukkig niet onveilig lijkt. Onderwijl verzamelen ze allerlei eetbare vruchten die werkelijk in ruime mate aanwezig zijn. Samen met bananen en kokosnoten en de aanwezigheid van zoet water, lijkt het hier een waar paradijsje! Op Marks’ aanwijzin­gen maken ze een soort onderkomen voor de nacht door zoveel mogelijk onder de beschutting van het struikgewas, daar waar de grond nog zanderig is, ieder een ondiepe kuil te graven.

Met een soort zachte varens vullen ze hun kuil. Gwen pro­beert torretjes en andere insecten zoveel mogelijk te negeren, ze zijn er onmogelijk allemaal uit te verwijderen. Omdat de schemering al invalt,  wordt verder onderzoek uitgesteld tot de volgende dag. Bij een vuurtje zitten ze die avond nog lang te praten en raken steeds meer vertrouwd met elkaar. Mark verteld geëmotioneerd over Jan Jonkers, zijn oom, hun bijzonder band samen, hetgeen wat ze deelden.

 Mede doordat zijn ouders zich na hun scheiding weinig meer van hem aantrokken, Pa had meerdere jonge vriendinnen en zijn moeder, die altijd veel van reizen hield, zwierf sindsdien over de wereld.

            Zijn oom schreef Mark vaak lange brieven, waarin hij vertelde over zijn avonturen en beloofde hem eens mee te nemen. Dat deze reis tevens hun laatste zou zijn was wel erg tragisch. Ongemerkt valt de nacht, en ook die blijkt vol onbekende geluiden. Ze besluiten om beurten wakker te blijven en het vuurtje blijft branden, omdat ze er niet zeker van zijn van de aanwezigheid van roofdieren.

             Opgelucht zien ze de volgende morgen de zon opkomen, de nacht was niet echt koud, maar toch behoorlijk fris. En de schaarse kleding die ze droegen tijdens de ramp en die varens helpen ook niet echt. Nadat ze wat eten van de vorige dag verza­melde vruchten wordt de zon al snel sterker en het begint warm te worden. Gwen voelt zich plakkerig en onfris en in een opwelling gooit ze haar kleding uit, rent naar de zee en duikt erin. Ze geniet van het water dat haar huid omsluit en probeert zich met haar handen te wassen. Op het strand ziet ze hoe Mark met grote norse stappen naar de rots loopt. "Kom jò­h, zwemmen", roept ze hem toe, maar hij veinst haar niet te horen. Terwijl ze druipend het strand weer oploopt en met een vies gezicht haar vuile short en blouse aansjort, ziet ze hem staan uitkijken op de rots. Als ze een poosje later bij hem staat, wijst hij naar de hoge bergen een eind achter hen: ‘Daar zullen we naar toe moeten, hier vandaan lijkt er geen doorkomen aan, maar als we niet gaan kijken weten we het niet zeker. Alleen zo kunnen we proberen de bewoonde wereld te bereiken. Als je wilt kun je hier blijven, dan kom ik je later halen, maar ik wil erheen’. Voor geen goud blijft Gwen alleen achter en zo verdwij­nen ze, elk met een stevige stok als wapen, in de dichte begroei­ing.

            Na zich een paar uren door struiken en taaie planten te hebben heen ge­worsteld,' wat een geluk dat we allebei onze schoe­nen nog hebben!', komen ze onder schrammen en muggensteken, einde­lijk in de nabijheid van de bergen. En waar ze voor vreesden wordt bewaar­heid, de be­groei­ing wordt hier zo ondoor­dringbaar, dat ze mistroostig en moe besluiten terug te keren.  ‘Kijk, dat zijn toch bramen, wat een joekels!’ Bij het zien van de struik, barstensvol rijpe bramen voelen ze hun magen knorren en eten tot ze niet meer kunnen. Voldaan kijken ze elkaar aan en schateren om de blauwe lippen en -tanden. Evenals op de heenweg zien ze steeds bijzondere insecten en ontdekken prachtige exoti­sche vogels, die er steevast met veel lawaai­ vandoor gaan. Ze zien ook een slang en Mark leert haar wat te doen in geval van een beet. Regelmatig bukt hij zich  en plukt wat bladeren van planten..

Omzichtig lopen ze verder, maar voor ze erop bedacht is, haakt Gwen aan een enorme doornstruik en slaakt een kreet van pijn. Door de grote scheur in haar blouse ziet ze een flinke schram op haar borst  Mark helpt haar loskomen ‘Oh Gwen, je bloedt......’ 

                        Als ze veel later op die dag liggen uit te rusten, Mark is in slaap gevallen, denkt Gwen eraan hoe ver weg de bewoonde wereld nu al lijkt en hoe onbelangrijk de dingen zijn waar ze zich altijd druk over maakt. Leunend op een elleboog richt ze zich op en kijkt naar de slapende Mark. Ze ziet hoe mooi gespierd zijn lichaam is en denkt  onwillekeurig aan de manier waarop hij naar haar keek bij die doorn­struik. Ook aan zijn reactie vanmorgen toen zij ging zwemmen. Ze zag hem steeds als een aardige knul, misschien een paar jaren ouder dan haar eigen zoon. Nu realiseert ze zich dat Mark geen jongen meer is, maar een man. Ze voelt zich betrapt als ze merkt dat hij zijn ogen open heeft en ziet hoe zij naar hem kijkt.Vlug wendt ze haar blik af: "Mark, ik zat zo te denken, je hebt er natuur­lijk massa's, maar heb je ook een heel speciaal vriendinnetje?'Mmmm… ja eigenlijk wel, maar helemaal zeker ben ik er nog niet van," geeft hij aarzelend toe, 'Weet je', gaat hij na een korte stilte vertrouwelijk verder, 'Meestal komen meisjes wel naar me toe, maar Evie is zo anders, ik weet niet zo goed wat ik ermee aan moet.' Hierna rent hij de zee in en zwemt wel een half uur om daarna op het lager gedeelte van de rots intens somber voor zich uit te staren.

Gwen weet dat hij het moeilijk heeft en treurt om zijn oom, ze voelt een sterke drang hem te troosten, met haar moedergevoel, maar -tot haar verbazing- ook met haar hele 'vrouw-zijn'. Als ze bij hem komt raakt ze even zijn schouder aan en wijst hem op een van de papegaaiachtige vogels die altijd in de buurt zijn: ‘Zouden die lekker zijn?’ Enthou­siast is hij een paar minuten later bezig een primitieve pijl en boog in elkaar te knutselen, waarmee het hem na een uur of wat zowaar gelukt een vogel te schieten. ‘Dat wordt smullen!’ Triomfantelijk houdt hij het beest omhoog.  Hij slacht de vogel en bereidt deze met behulp van de plantde­len, vanmorgen geplukt.  ‘Jij bent echt een kanjer!, dit smaakt heerlijk, en dat zonder zout en toestan­den’ Bewonderend lacht Gwen hem toe. ‘Ik vind jou anders ook best een kanjer’, luidt zijn onverwacht zelfverzekerd antwoord. ‘Doe niet zo gek joh, ik zie er niet uit nu’ Verlegen probeert ze voor de zoveel­ste keer die dag met haar vingers haar haren wat te kammen. Mark antwoordt niet maar blijft haar nog een poosje aankij­ken, met een vreemde blik in zijn ogen.

            In het donker bewonderen ze de schitterende sterren­hemel, hoe komt het toch dat die zoveel mooier is dan thuis? Samen praten ze nog een tijdje, Gwen kijkt naar Mark, naar zijn handen, waarmee hij het vuur voor de nacht verzorgt, mooie sterke handen echt van een man....Ze voelt een hevig verlangen van binnen dat haar verward en ook een beetje verontrust. Met tegenzin kruipt ze in de kuil met varens, 'weer zo'n lange nacht vol geluiden en zo koud.....'

Vastberaden probeert ze haar gedachten en gevoelens onder contro­le te krijgen. Maar dan hoort ze een diepe zucht uit de kuil naast zich -en- ‘Gwen, slaap je?’. Opeens denkt ze niet meer na, maar volgt haar gevoel en kruipt naar hem toe… ‘Mark, jij doet zoveel voor mij en ik weet dat je verdriet hebt, ik wil je graag troosten, zou je het fijn vinden als ik bij je kom?’ Heftig trekt hij haar naar zich toe en kust haar met een gulzigheid, die haar bijna de adem beneemt.                   

             Na een verre van rustige, maar heerlijk warme nacht ontwa­ken ze in elkaars armen. Voordat hij haar kan tegenhouden rent Gwen naar het water om eerst heerlijk te zwemmen. Als ze even later naakt en nat voor hem staat, trekt Mark haar weer naar zich toe en begint aarzelend strelend haar lichaam te verkennen. Maar al snel wordt hij brutaler. Ze laat het oergeweld van zijn  onstuimigheid opnieuw over zich komen en geniet ervan hoe hij, aangemoedigd door haar reacties, in zijn jeugdige overmoed steeds verder durft te gaan. Naderhand is ze verbaasd over de intensi­teit waarmee haar lichaam reageerde. Dit heeft ze toch al lang niet meer zo ervaren!.

             ‘Eigenlijk Mark moeten we nu eerst even ernstig praten en misschien hadden we dat gister­avond eerst moeten doen’. Hoewel het haar moeite kost ernstig te blijven bij de gekke gezichten die hij nu trekt, besluit ze toch voet bij stuk te houden. ‘Het is echt belangrijk dat wij samen een afspraak maken, als we straks gevonden worden en geloof me, dat duurt niet zolang meer...’ Gwen twijfelt er niet aan of Bollo heeft al een zoekactie op touw; ‘ als we gevonden zijn, moet dit tussen ons echt voorbij zijn.Dan gaan we ieder verder met ons leven, zonder elkaar in de weg te staan, dat moeten we elkaar echt beloven. Met enige moeite krijgt ze Mark zover dat hij haar serieus neemt en ermee instemt, hoewel ze merkt dat hij aan dat 'gevonden worden' niet zoveel waarde hecht.

             De volgende dagen brengen ze stoeiend, zwemmend, etend, lachend en vrijend door. Hun kleding besluiten ze te sparen voor hun terugkeer naar de 'bewoonde wereld'. Ze voelen zich even onbezorgd als kinderen, urenlang spelend met hetgeen de natuur hen biedt.

 ’s Avonds, moe en voldaan, maar nog niet slaperig, praten ze uren met elkaar. Gwen vertelt van haar tiener­tijd, hoe ze was, hoe ze dacht en eruit zag, wat ze deed en welke muziek ze mooi vond. Mark praat over zijn opleiding als Bosbouw­kundige, van de etage waar hij woont en ook over Evie. Omdat ze aan hem merkt dat hij er toch wat moeite mee heeft verzekert Gwen hem dat een schuldgevoel echt niet nodig is, straks is het immers voorbij tussen hen - 'En’..... vervolgt ze ondeugend...       'Evie krijgt een perfecte minnaar...!'

             's Morgens, als ze het eerst ontwaakt, wat meestal het geval is, vindt Gwen het heerlijk om naar hem te kijken. Zijn jong maar toch zo mannelijk gezicht blijft haar boeien, zeker met de nu rijkelijk aanwezige baardstoppels. Met een vinger streelt ze zacht­jes langs zijn lippen en volgt de vorm van zijn enigszins arrogant uitziende kaaklijn. Als hij wakker wordt en haar naar zich toe wil trekken, gebiedt ze hem te gaan zitten. Plaatst zichzelf  achter hem en masseert zachtjes zijn schouders, streelt de haren uit zijn hals omhoog en kust zacht zijn oorlelletje; alles heel langzaam en genietend en beproefd zo zijn geduld tot het uiterste. Later leert ze Mark om haar net zo geduldig en teder lief te hebben, mede omdat de onstuimigheid waarmee hij haar vaak meerdere malen per dag wil beminnen, haar toch steeds meer gaat vermoeien. Ze betrapt zichzelf erop dat ze naar huis begint te verlangen en hoewel ze nog steeds van elke minuut met Mark geniet, denkt ze meer en meer aan haar eigen Bollo. Met hem waren er zeker ook onstuimige uurtjes, maar het geheel was toch minder vermoeiend.

                        Terwijl het die avond al aardig donker is en ze aanstalten maken om in hun kuil te kruipen, horen ze het geronk van een helikopter naderbij komen. Aan de onderkant ervan flits een schijnwerper, om vervolgens in een snel tempo te landen, aan de andere kant van 'hun' hoge rots. Omdat ze er niet zeker van zijn dat het 'bezoek' hen goed gezind zal zijn sluipen ze geruis­loos naar de lage uitloper en gluren zo voorzichtig mogelijk over de rand.

In het licht van de schijnwer­per van het toestel zien ze twee mannen aanstalten maken om een kamp op te slaan. Vrij duide­lijk verstaan ze de woorden: ‘Laten we proberen hier nu eerst maar een nachtje pitten, het ziet er niet naar uit dat we hier iemand zullen vinden, maar dat zien we dan morgen wel; het is dat die von Olmen aardig dokt, anders zou je zeggen 'Kerel zoek zelf maar verder.’ Onthutst kijken Gwen en Mark elkaar een ogenblik aan, lachen dan tegelijkertijd geluid­loos en weten zonder woorden dat ze beiden besloten hebben elkaar en zichzelf nog één nacht te gunnen.

             Met de zoute smaak van zijn tranen nog op haar lippen en een brok in de keel, loopt Gwen de volgende morgen vroeg, vastberaden in de richting van het kamp aan de andere kant van de rots. Ze pro­beert niet meer te denken aan Mark's verdriet, aan zijn dwingen­de woorden, waarmee hij probeer­de haar te overreden dit nog langer te laten voortduren, hoewel ze gisteravond al afscheid genomen hadden. "Bedankt lieverd", had ze hem gezegd, met haar handen om zijn gezicht, ‘bedankt voor je liefde, voor deze dagen die dank-zij jou zo heerlijk onbezorgd waren. Ik ga niet méér tijd stelen van jou jeugd, het moet voorbij zijn nu’. 

             Uren later, zeker een etmaal, na een onstuimig en dolgeluk­kig weerzien, terwijl ze heerlijk gedoucht, gegeten en wat uitgerust met elkaar en -eindelijk weer- koffie, nog wat napraten, bespeurt Gwen een bedacht­zame blik in de ogen van Bernd waarmee hij van haar naar Mark kijkt. Ze schaamt zich toch  een beetje over de lichtzin­nigheid waarmee ze deze vijf dagen (waren het er echt maar vijf ?) heeft doorge­bracht. Zeker als ze hem met schorre stem voor de zoveelste keer tegen zich hoort zeggen :’O meisje, wat ben ik toch bang geweest!’

             Na een poos, eindelijk weer veilig thuis lekker knus met  Bollo op de bank zegt hij: "Ik zal je niet vragen naar alle details van je verblijf samen met die goedgebouwde jongeman in dat tropische oord en ik verwacht van jou ook niet dat je een kuise lady gebleven bent; het enige wat ik je wel wil vragen is: 'Ben je nu weer helemaal van mij ?'". Intens tevreden nestelt ze zich tegen hem aan en verzucht:....."Helemaal....!"

             Jaren hierna, 's avonds tijdens een feestje van een bevrien­de relatie komt een leuke jonge vrouw op Gwen af en stelt zich voor als  Evie Jonkers. Ze buigt zich vertrouwelijk naar Gwen over en fluistert met een knipoog: ‘Ik wil u graag bedanken voor alles wat Mark van u geleerd heeft; mede daardoor hebben we het nog steeds zo fijn samen.....!’Roos

 

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

21.06 | 18:56

heerlijk om je stukjes te lezen.

gr.jeanet van lent

...
21.06 | 13:27

Ode aan de zomer. Wilde wel dat het altijd zomer bleef. Bedankt weer.

...
23.05 | 10:41

Je verhaal is weer prachtig. Zie het zo voor me. Fijn dat jullie hebben genoten.

...
18.05 | 09:09

Prachtig wat kan je toch mooi schrijven.
Vertel me het als je boek uitkomt.

Gr Marjan V...

...
Je vindt deze pagina leuk
Hallo!
Probeer uw eigen website te maken, net als ik! Het is makkelijk en u kunt het gratis proberen
ADVERTENTIE